Governance: zorguldig omgaan met landschap. De ruimtelijke ordening heeft zijn vanzelfsprekendheid verloren. Alom heerst onbehagen. Het onbehagen manifesteert zich in een veelheid aan kritische noties bij de planningspraktijk. Er is kritiek op:

  • het beperkte inzicht in de echte ruimtelijke ontwikkelingen;
  • het gebrek aan ontwerpvaardigheid op structuurniveau;
  • de geringe besluitvaardigheid;
  • de onmacht om plannen daadwerkelijk te realiseren.

Een gemeenschappelijke factor in deze kritiek is de spanning tussen de idee van strategische ruimtelijke planning, geworteld in de moderniteit, en de maatschappelijke ontwikkeling met zijn postmoderne karakter. Het gesprek hierover wordt bemoeilijkt doordat de taal van de ruimtelijke planning gebaseerd is op de hoogtijdagen van de ruimtelijke planning in Nederland.

Planning is taalhandelen in vier genres

In het boek Planning als gesprek doe ik een poging om meer grip te krijgen op ruimtelijke planning onder postmoderne condities. Dit begint bij de constatering dat planning niet meer of minder is  dan een geheel van regulatieve taalhandelingen.  Zowel beeldtaal als teksttaal behoort tot de taal van de ruimtelijke planning.  De taal van de ruimtelijke planning omvat diverse taalspelen of genres.  De vier voor planning essentiële genres zijn: ontwerpen, onderzoeken, beslissen en ingrijpen. Planning kan worden gedefinieerd als het creëren van een passage tussen de genres ontwerpen, onderzoeken,  beslissen, ingrijpen.  De passages tussen genres hebben het karakter van reflectieve oordelen zoals Kant deze opvatte:  namelijk oordelen zonder vooraf gegeven regels. De vaak zwakke relatie tussen ontwerpen, onderzoeken,  beslissen en ingrijpen, is niet het gevolg van slecht communiceren of eigengereid handelen, maar komt voort  uit de verschillen tussen deze genres van maatschappelijk taalhandelen.

 Planning is een deliberatieve orde

De idee van planning gaat uit van gelijkwaardigheid tussen de vier genres. Geen enkel genre mag een ander genre overheersen. De situatie waarin deze gelijkwaardigheid het uitgangspunt is wordt ook wel deliberatieve orde genoemd.  Een deliberatieve orde moet voortdurend levend worden gehouden. Niet in een structuur of een procedure, maar door een divers geheel aan werkvormen.  Twee werkvormen springen eruit, die de ontmoeting tussen genres centraal stellen:  ateliers en leernetwerken (Communities of Practice). Een atelier is een laboratorium voor ideeën,
waar verschillende actoren met verschillende achtergronden hun ideeën voor de oplossing van concrete  problemen kunnen uitwisselen en expliciet maken. Een leernetwerk stelt het gezamenlijk leren van vergelijkbare ervaringen centraal, maakt deze expliciet en bespreekbaar, teneinde ieders competentie  tot handelen te vergroten.

Planning en cultuur

De deliberatieve orde in planning houdt in dat actoren in het planningsnetwerk zichzelf – hoe dan ook – doelen stellen.  Zichzelf doelen kunnen stellen is volgens Immanuel Kant de definitie van cultuur.  Ook in een postmoderne, gefragmenteerde netwerkomgeving, moeten doelen worden gesteld.  De opgave om zichzelf hoe dan ook  doelen te stellen impliceert dat één fundamentele vraag altijd gesteld moet kunnen worden.  Dat is de vraag: ‘wat willen wij zijn?’ Het is de vraag naar de identiteit van een samenleving,  een organisatie, een planningsnetwerk of een gebied.  De publieke taak ten aanzien van planning is het overeind houden van de identiteitsvraag.  In een deliberatieve orde dient deze vraag institutioneel geborgd te zijn.

Zelftechniek van de samenleving

Te veel planners en ontwerpers willen ‘grand designs’ realiseren. Aandachtige planning daarentegen richt zich op wat echt nodig is: een planning die wordt gekenmerkt door terughoudendheid en concentratie. Aandachtige planning is geen pleidooi voor minder plannen, minder subsidies, minder regels, minder overheid, maar voor concentratie op het waarom achter middelen en instrumenten. Daarbij blijft aandachtige planning geloof houden in de mogelijkheid van het realiseren van ruimtelijke kwaliteit. Wat dat betreft is aandachtige planning veel ambitieuzer dan de postmoderne planningspraktijk. Aandachtige planning is een maatschappelijke vorm voor reflectieve publieke keuzen.
Het is een ‘zelftechniek’ waarmee de samenleving zichzelf, hoe dan ook, doelen kan stellen.  De benadering van planning als zelftechniek zet planning in een nieuw licht.  Het is geen exponent meer van het moderne project van de twintigste eeuw,  maar een antwoord op de noodzaak tot reflectie die aan het begin van de eenentwintigste eeuw manifest is.